Etiquette -
ontstaan en ontwikkeling:
In de latere middeleeuwen maakten de “ijzeren eeuwen” plaats voor een
“hoofse” tijd. Althans in beperkte kring onderging het leven een verfijning
van vormen. Die werd van bovenaf opgelegd, en niet zonder reden. De
achttiende eeuw was de eeuw van de opkomst van de burgerij. De rijkdom en
weelde die vroeger alleen aan de adel voorbehouden was, werd nu
gedemocratiseerd. De vorsten wensten hun ruige, onafhankelijke vazallen aan
hun hof te binden; en daar werd deze rivaliserende en vaak opstandige
ridders omgesmeed tot een min of meer samenhangende, en vooral onderdanige,
hofadel. Dure kleding, koetsen en buitenhuizen werden onder de burgers al
snel een hype. Daardoor ontstond bij de hofadel de behoefte zich te
onderscheiden door middel van bepaalde omgangs- en gedragscodes. Verplichte
gedragsregels dwongen de hovelingen tot zelfbeheersing jegens elkaar, en tot
de aanvaarding van de hiërarchie van laag tot hoog met de vorst zelf aan
top. Neveneffect van deze exclusieve hofetiquette: een sterk maatschappelijk
verschil tussen de elite en de bevolking van boeren en ambachtslieden.
Aangezien de adel een voorbeeldfunctie vervulde, namen anderen (burgers) die
codes weer als regels over. Waarop de adel weer, om hun competitieve
voordeel te behouden, razendsnel nieuwe codes bedacht. Het voordeel van
regels en codes is dat ze het leven vergemakkelijken. U hoeft niet meer
constant na te denken over zaken waar u niet altijd over wil nadenken. Want
hoe kunt u nadenken over de toekomst van de mensheid als u non-stop
gepreoccupeerd bent door de vraag 'wat moet ik nu weer aan?'. Vroeger vormde
dit door de veelvuldige kostuumwisselingen echt een probleem. Regels boden
uitkomst: geen jacquet na vijven, 's morgens een andere japon dan 's
middags, etcetera. Goede manieren zijn geen teken van verkramping maar juist
van ontspanning. Etiquette is een sociaal smeermiddel. In landen met
traditioneel minder klassenonderscheid dan bij ons, zoals de Verenigde
Staten, is ook de etiquette altijd veel eenvoudiger gebleven. In Europa
echter werd ze steeds ingewikkelder. Wat in bepaalde periode als nieuw
kenmerk van wellevendheid was ingeburgerd, schoof vrijwel automatisch naar
de volgende generaties door; maar gebruiken die zinloos waren geworden,
rekten hun leven als statussymbolen en verdwenen slechts heel geleidelijk.
De ontwikkeling in de etiquette bewoog zich pas terug in de richting van de
vereenvoudiging, toen onze moderne tijd met zijn snelle maatschappelijke
verandering aanbrak. In een samenleving die gelijkheid van alle mensen
huldigt, moest het oerprincipe van de “ondergeschiktheid” wel naar de
achtergrond verdwijnen, en haar eerste plaats afstaan aan dat andere
oerprincipe aan het laatmiddeleeuwse hof: “elkaar ontzien”. En aan een heel
nieuw principe: het kunnen aanvoelen van sterk uiteenlopende en wisselende
situaties in een maatschappij die niet langer statisch en eenvormig is.
Slechts wanneer mensen weten wat er van hen verwacht wordt, kunnen zaken
soepel verlopen en zullen mensen zich op hun gemak voelen.
Terug